Volgens de Hoge Raad rust er geen auteursrecht op een stijl en is ook onrechtmatige slaafse nabootsing praktisch nooit het geval.
Broeren maakte daarom alleen inbreuk op werken van Duijsens wanneer niet alleen de stijl, maar ook de voorstelling voldoende gelijkenissen toonde, waardoor de totaalindrukken hetzelfde waren.


